Dood en doodstraf in het Westland tijdens de Tweede Wereldoorlog

Adrianus Leonardus Wilhelmus Steentjes werd na de bevrijding van Nederland op 5 mei 1945 gearresteerd en veroordeeld tot de doodstraf. Adrianus zou in januari 1942 Herman Lucas, Dick Voskamp, Theo Trompert en Wim Neervoort hebben verraden. Zij waren verantwoordelijk voor sabotageacties gericht tegen de Duitse bezetter. Zo lieten zij meerdere malen stoomtrams in het Westland ontsporen en staken zij de veiling aan de Zwartendijk in Monster in brand. Door het verraad van Adrianus kreeg Lucas de doodstraf (hij werd als de leider van de verzetsgroep gezien) en werd gefusilleerd op de Waalsdorpervlakte, nog geen twee maanden na het verraad. Voskamp kreeg 15 jaar tuchthuisstraf, Trompert en Neervort beiden 7 jaar. Na het voltrekken van de doodstraf van Lucas werden de overgebleven jongens afgevoerd naar Siegburg waar zij in te werk werden gesteld. Voskamp liet daarbij het leven.

Steentjes laat tijdens de tegen hem gerichte rechtszaak weten dat hij in 1942 in het Huis van Bewaring, waar hij wegens frauduleus slachten zat, ene de Wilde ontmoette. Door loslippigheid van de Wilde en het willen opstrijken van de beloning van f 250,- door Steentjes komt de Westlandse sabotagezaak aan het rollen. Steentjes vertelde het door zijn vrouw Anna die op haar beurt bij de bezetter de beloning incasseert. Steentjes betuigt tijdens de rechtszaak spijt voor zijn daad.

Eind juni 1946 wordt de doodstraf van Steentjes, dan wonende in Zaltbommel, omgezet in een levenslange gevangenisstraf.

Westlandse van der Steen’s en Steentjes

In het Westland komt de naam van der Steen en Steentjes sporadisch voor. Alle Westlanders met de naam Steentjes en het gros van de van der Steen’s stammen af van de uit Aalten (Gelderland) afkomstige Arent Steentjes.

Arent Steentjes (1745-1795)
Arent werd in 1745 in het Gelderse Aalten geboren. Hij is echter over de grens, in het naburig gelegen Duitse dorp Hemden, onder de naam Arnoldus Stentjen gedoopt op 29 december 1745 in de Rooms-Katholieke kerk, simpelweg omdat Aalten geen Rooms-Katholieke kerk kende. Zijn vader Hermanus Steentjes is weer iets verderop in Duitsland gedoopt, te weten Raesfeld. Zijn moeder Hendrina Rensing komt uit Lintelo, een buurtschap onder Aalten. De kinderen van Hermanus en Hendrina worden onder verschillende namen gedoopt. Hun eerste kind wordt gedoopt onder de naam ‘Aenssijn’ en gedurende de geboorte van de andere kinderen transformeert de naam naar ‘Aentjes’, ‘Stentjen’, ‘Steentjen’ en uiteindelijk ‘Steentjes’. Om nog maar te zwijgen over de namen Steeniken en Steenken die weer een generatie eerder voorkomen. Dit alles heeft te maken met de wijze waarop de achternaam werd uitgesproken en het feit dat de ouders waarschijnlijk niet konden schrijven en ook nog eens afkomstig waren uit een Nederlands-Duitse grensregio.

Arent vertrekt naar Den Haag
Arent laat zich waarschijnlijk in 1773 (of eerder) inlijven in het Regiment Hollandse Gardes en wordt als soldaat gestationeerd in ‘s-Gravenhage. Hij trouwt 27 februari 1774 met Johanna Wiela, zij komt echter vroegtijdig, en waarschijnlijk kinderloos, te overlijden. Arent hetrouwt op 6 juli 1776 met Cornelia Boot (Aarlanderveen, 1748). Bij beide huwelijken staat hij te boek als ‘soldaat in het regiment Hollandsche Guardes onder de compagnie van luitenant colonel Bentinck’. Misschien is Arent wel op onderstaand schilderij, de Exercitie van het regiment Hollandsche Gardes bij de Koekamp in Den Haag onder bevel van Jacob van Kretschmar’ uit 1778, op de achtergrond geportretteerd. We weten in ieder geval welk uniform hij droeg.

Exercitie van het regiment Hollandsche Gardes bij de Koekamp in Den Haag onder bevel van Jacob van Kretschmar (1778)

De kinderen van Arent Steentjes en Cornelia Boten

Arent en Cornelia krijgen in totaal 7 kinderen. Adrianus (1777-1837), Hendrina (1779-?, zij wordt als enige in Aalten gedoopt), Maria Cornelia (1782-1842), Wilhelmina Frederica (1785-?), Cornelus (1787-1790), Joannes Hermanus (1789-?) en Maria Petronella (1792-1832). Alleen de oudste zoon Adrianus lijkt voor nageslacht te hebben gezorgd. Cornelus is op vroege leeftijd overleden en van Joannes Hermanus kan hetzelfde worden aangenomen.

Westlandse generatie
Adrianus (roepnaam Arij) trouwt op 10 mei 1807 in Naaldwijk met de uit datzelfde dorp afkomstige Alida Mulder. Hij is wat dat betreft de grondlegger voor de namen Steentjes en van der Steen in het Westland. Anno 2015 is de naam Steentjes in de meerderheid en van der Steen in de minderheid. Adrianus en Alida krijgen in totaal 8 kinderen. Onder hen 4 zoons, Simon (1809-1859), Arij (1816-1890), Joris (1820-1893) en Johannes (1822-1893), die op hun beurt allen voor nageslacht zorgen. Arij, Joris en Johannes en al hun nakomelingen blijven de naam Steentjes dragen. Bij Simon wordt echter de afslag naar ‘van der Steen’ genomen.

Simon van der Steen
Simon wordt gedoopt onder de naam ‘van der Steen’, maar staat, net als zijn jongere broers en zussen op hun geboorte- en overlijdensakte, op zijn overlijdensakte te boek als Steentjes. Simon wordt in de ‘doopperiode’ geboren. Met andere woorden, hij heet voor de kerk ‘van der Steen’, maar in de Burgerlijke Stand (ingevoerd in 1812) staan Simon en zijn broers en zussen bekend onder de naam ‘Steentjes’.

Simon trouwt op 14 november 1834 in Naaldwijk met Willemina Bijleveld. 7 van hun 9 kinderen krijgen de achternaam van der Steen op de geboorteakte. Alleen Hendrik (1840) en Joris (1842) krijgen de naam Steentjes. Hendrik is voor de kust van Venezuela aan boord van het stoomschip Madura, waar hij stoker was, kinderloos overleden. Joris komt op 6-jarige leeftijd te overlijden. Zoons Johannes (1836-1904) en Lambertus (1844-1931) zijn de enige kinderen van Simon die voor nageslacht zorgen. Johannes krijgt in totaal 16 kinderen. Zij krijgen allen de achternaam ‘Steentjes’, echter bereikt slechts één, Theodorus Cornelis, van de 16 kinderen de volwassen leeftijd. Hij overlijdt alsnog op slechts 38-jarige leeftijd, maar heeft desondanks voor nageslacht gezorgd. Eén werd slechts 5 weken oud, de ander, Johannes Martinus, kwam door oorlogshandelingen te overlijden.

Johannes Martinus Steentjes (omstreeks 1943)

Johannes was assistent-olieman in de koopvaardij en indirect betrokken bij de grootscheepse operatie D-Day op 6 juni 1944. Een grote groep Nederlanders was ​aangewezen om met 12 Nederlandse sleepboten de Mulberry Harbours (kunstmatige havens voor de kust van Arromanches, Frankrijk) op hun plaats te slepen. Dit gebeurde niet alleen op D-day, maar ook in de dagen daarvoor. In de nacht van 23 op 24 april 1944, tijdens het verslepen van de Mulberry pontons, werd voor de kust van Engeland, nabij Dungeness, de Ms ‘Roode Zee’ getroffen door een Duitse torpedo. De ‘Roode Zee’ zonk en nam haar 13 koppen tellende bemanning, waaronder Johannes Steentjes, in haar ondergang.

Lambertus van der Steen (1844-1931)
Lambertus is de enige nakomeling van Arent Steentjes (1745-1795) die de naam van der Steen voortzet in het Westland tot op de dag van vandaag. Lambertus wordt op 9 januari 1844 in Naaldwijk geboren.

Brecht Steen

Brecht Steen in uniform (1927)

Op 23-jarige leeftijd geeft Lambertus als goed Katholiek in 1867 gehoor aan de oproep van de paus en hij sluit zich aan bij de pauselijke Zouaven om te strijden tegen Garibaldi en de zijnen. Brecht Steen, want zo staat hij bekend bij de Zouaven, maakte tot tweemaal toe deel uit van het pauselijk leger, eerst van 18 februari 1867 tot 2 september 1869 en daarna nog van 30 juni 1870 tot aan de val van Rome in september 1870. Het bekendste treffen met de Garibaldisten was de slag van Mentana, waar 3.000 pauselijke soldaten en 2.000 Fransen op 3 november 1867 tegenover 15.000 roodhemden stonden. Brecht Steen bevond zich met 963 Nederlanders onder de 1.500 Zouaven die de harde kern van het leger van de paus vormden. Na deze slag bestond Garibaldi’s leger niet meer. In deze heldhaftige strijd tegen de Garibaldisten heeft Brecht Steen z’n voet verwond. Net zoals alle anderen werd ook hij onderscheiden met het Mentanakruis.

Na zijn terugkeer van het strijdtoneel trouwt Brecht op 3 mei 1873 met de ‘s-Gravenzandse Maria Zwaartman. Zij krijgen 6 kinderen, 4 dochters, één vroeg overleden zoon en een zoon die voor voortzetting van de naam van der Steen zorgt: Johannes Georgius van der Steen.

Johannes Georgius van der Steen (1877)
Johannes (Jan) wordt in 1877 in Naaldwijk geboren. Van beroep is hij handelsreiziger (1903) en handelaar in suikerwerken (1927). Jan keert terug naar de geboortegrond van zijn verre voorvader Arent Steentjes, ‘s-Gravenhage. Hij trouwt aldaar op 13 augustus 1903 met Johanna Jacoba Maria Schel. Zij krijgen samen drie kinderen, te weten Lambertus (1904), Petrus (1905) en Maria (1906). Petrus overlijdt op 13-jarige leeftijd. Lambertus zorgt voor van der Steen-nageslacht en krijgt 6 kinderen die allen in ‘s-Gravenhage worden geboren.

unnamed (3)

​Familie Lambertus Petrus Johannes Maria van der Steen bevolkingsregister (1939)

Johannes Georgius van der Steen (1927)
Johannes (Jan) is één van de kinderen van Lambertus van der Steen en Jacoba Schel. Waar zijn grootvader in 1903 terugkeert naar ‘s-Gravenhage voor de liefde, doet zijn kleinzoon Jan het omgekeerde. Hij keert terug naar het Westland en trouwt met de in Monster geboren Gerritje Troost en is tot op de dag van vandaag woonachtig in het Westland.

Andere Westlandse van der Steen’s
Er zijn in het Westland nog een aantal andere van der Steen’s neergestreken. De uit Ridderkerk afkomstige Pleun van der Steen en Teuntje Vos kregen in ieder geval vier kinderen (1892-1897) in het Westland. De uit de omgeving Warmond afkomstige Leonardus (Leendert) van der Steen en Adriana Rotteveel kreeg eveneens in ieder geval vier kinderen (1879-1883) in het Westland. Willem van der Steen, uit Voorschoten, en zijn vrouw Cornelia van der Post kregen ook minstens vier kinderen (1851-1856) in het Westland. Ook de vader en moeder van Willem, Joannes van der Steen en Joanna Reijne, maakten een uitstap naar het Westland; Katharina (1817) werd aldaar geboren.

Cornelis Pieterse Valstar en de VOC

Cornelis Pieterse Valstar (1674-1741) uit Naaldwijk is de enige tot nu toe traceerbare Valstar die de zeeën heeft bevaren in dienst van de Verenigde Oost-Indische Compagnie. Ter ere van de oprichting, 400 jaar geleden, zijn de VOC-soldijboeken 1700 tot 1795 gedigitaliseerd. Daaruit blijkt dat Cornelis tweemaal via de Kamer van Delft naar de Oost afreisde, te weten 1711-1715 en 1715-1721. Omdat alleen de 18e eeuw is gedigitaliseerd is het ook mogelijk dat de broers en vader van Cornelis de wereldzeeën hebben bevaren, vóór het jaar 1700. Cornelis trouwde rond 1700 met Jannetje Vreugdenhil en kreeg vijf kinderen. Van de vijf kinderen kwamen er vier waarschijnlijk op jonge leeftijd te overlijden. Er moest moest brood op de plank komen, en – waarschijnlijk niet uit luxe – trad Cornelis in 1711 als matroos in dienst bij de VOC. Matrozen kwamen vaak uit een lager sociaal milieu of waren opgegroeid in een weeshuis.

In de 18e eeuw vertrokken ruim 200 Westlanders met de VOC naar de Oost. Uit onderzoek ‘Westlanders in Dienst van de VOC’ van K.F. van Dijk (helaas is Cornelis niet in dit onderzoek opgenomen) blijkt het voor Westlanders een risicovolle en barre tocht. Van diegenen die voor het eerst de reis overzees maakten, bracht 64% het er niet levend vanaf. Van diegenen die het, net als Cornelis, in hun hoofd haalden om nog eens af te reizen, keerden nog eens de helft niet terug. Daarmee had Cornelis een overlevingskans van nog geen 30%.

Bron: http://www.wikidelft.nl/index.php?title=Bestand:Zo_zag_een_spiegelretourschip_van_de_VOC_er_uit.jpg

Een spiegelretourschip zoals de Berbices

De eerste reis (1711)
Op 31 januari 1711 treedt Cornelis in dienst van de VOC. Hij gaat als matroos aan boord en vertrekt die dag vanuit Wielingen (Zeeuws Vlaanderen) met het splinternieuwe spiegelretourschip Berbices. Met de 274-koppige bemanning zet zij, met Cornelis Uitenbroek aan het roer, koers richting Batavia (Jakarta, Indonesië). Matrozen stonden op de uitkijk en moesten de zeilen en lenspompen bedienen. Daarnaast waren er ook minder ‘leuke’ klussen zoals het schip teren, reparaties uitvoeren onder het toeziend oog van ambachtslieden en het iedere dag ‘schoonschip’ maken. De schaarse tijd die er was benutten de mannen in hun hangmatten benedendeks. Bij goed weer verplaatsten zij zich, uiteraard vóór de grote mast, naar het bakdek. Drie maanden na vertrek, op 30 april, komt het schip voor herbevoorrading aan in Kaap de Goede Hoop. Op 23 mei gaat de Berbices weer de zee op, om na een reis van bijna zes maanden op 19 juli 1711 aan te komen in de haven van Batavia. Tijdens de heenreis kwamen 5 mensen te overlijden.

Vervolgens moet Cornelis ruim drie jaar wachten op een vertrek richting Nederland. Op 21 december 1714 gaat hij samen met 109 anderen in Batavia aan boord van de Limburg om aan de terugreis te beginnen. Net als op de heenreis wordt er gestopt bij Kaap de Goede Hoop, ditmaal ruim een maand. Na een reis van acht maanden, op 6 augustus 1715, meert het schip aan bij Fort Rammekes (Vlissingen, Zeeland).

De heen terugreis van Cornelis

De heen- en terugreis van Cornelis

De tweede reis (1715)
Misschien is Cornelis’ eerste trip naar de Oost meegevallen, misschien is het bittere noodzaak; Cornelis is slechts drie maanden thuis van zijn eerste trip als hij alweer opgaat voor een tweede trip naar Batavia. Hij verlaat met het schip Ter Nisse op 8 november 1715 opnieuw de haven van het Zeeuwse Wielingen. Het is de eerste reis voor schipper Gerrit Stokke en ook voor de in 1714 opgeleverde Ter Nisse is het de eerste zeereis. De 183 koppen tellende bemanning bereikt op 9 maart 1716 de haven van Kaap de Goede Hoop. Na twee weken ‘rust’ en bevoorrading zet de Ter Nisse koers richting de eindbestemming Batavia. Daar komt het schip, met zes opvarenden minder, op 30 mei 1716 aan. Cornelis verblijft bijna vierenhalf jaar in de Oost en vertrekt met het schip Samaritaan, een fluitschip, op 30 oktober 1720 huiswaarts. Op weg naar Holland komen 14 van de 184 bemanningsleden om. Op 4 juni 1721, ruim vijfenhalf jaar na vertrek komt Cornelis aan in de haven van Vlissingen en meert aan bij Fort Rammekens.

In totaal is Cornelis ruim tien jaar van huis geweest.

Barend Lijbeek en de ingestorte kerktoren van ‘s-Gravenzande

Op 5 mei 1809 stortte tussen 11 uur en half 12 de toren van de kerk in ’s-Gravenzande in. De toren die 85 meter hoog was valt op het westelijk gedeelte van de kerk waardoor deze totaal wordt verwoest. Voordat de toren instortte brokkelde er al een aantal stenen af. Dit werd door sommigen burgers gezien die dicht bij het kerkgebouw woonde. Hierna stortte het gevaarte naar beneden. Opmerkelijk is dat er geen doden zijn gevallen bij het instortten van de kerktoren. Daarnaast zijn er ook geen woningen beschadigd bij het instortte van de toren.

Ingestorte toren van de kerk te 's-Gravenzande (Nicolaes Lodewick Penning, 1809, Rijksmuseum)

Ingestorte toren van de kerk te ‘s-Gravenzande (Nicolaes Lodewick Penning, 1809, Rijksmuseum)

Waarschuwing
Vijf dagen hierna wordt er door het gemeente bestuur van ’s-Gravenzande een aanplak biljet uitgegeven met een waarschuwing er op. Het schijnt dat mensen vooral in de nacht spullen ontvreemde uit de ingestorte kerk. In het biljet staat dat de dienaar der justitie en de nachtwaker gelast worden hier stipt op toe te zien en de daders ogenblikkelijk te apprehenderen [vasthouden] en in hechtenis te brengen.

Ondanks de waarschuwing
Op 18e van de lentemaand (april) 1810 moeten voor de baljuw van ’s-Gravenzande en zandambacht Frans Schreuder en Barend Lijbeek verschijnen. Uit “recherches” bleek dat ten huize van enige “suspecten” personen een partij houtwerk lag dat voor enige tijd in en rondom de kerk heeft gelegen. De verdachte personen bekennen gelijk dat zij hout uit de ingestorte kerk hebben gestolen. Het hout lag opgeslagen op het kerkhof dat niet geraakt was door de ingestorte toren.

Hierna worden de twee lieden in gijzeling genomen op het stadhuis. Het hout wordt daar ook opgeslagen. De straf bedraagt een hechtenis van 3 dagen en het water en brood mogen zij zelf betalen.

Scheepvaart
Het instorten van te toren was niet alleen een verlies voor de ‘s-Gravenzandse gemeenschap, maar ook voor de scheepvaart. De bijna 100 meter hoge toren fungeerde als baken voor de schippers voor de kust. Er werd in de Amsterdamse Courant van 6 mei 1809 dan ook direct melding gemaakt van het instorten van de toren, zodat schippers zich niet konden vergissen.

csm__s-Gravenzande_kerktoren_uit_kust_112df12889

Bron: Historisch Archief Westland